NVMz-nieuws
nummer 4, oktober 2004
BOUWHISTORIE

Het bouwhistorisch onderzoek van kelders in Arnhem

Zicht op de grote voorkelder van het St. Petersgasthuis tijdens de werkzaamheden (foto MAB, 2001)t
Zicht op de grote voorkelder van het St. Petersgasthuis tijdens de werkzaamheden (foto MAB, 2001)
De kelder van Rijnstraat 68 met trapportaal na restauratie. De trap was niet meer aanwezig. (foto MAB, 2002)
De kelder van Rijnstraat 68 met trapportaal na restauratie. De trap was niet meer aanwezig. (foto MAB, 2002)

In het NVMz-nieuws 2002-1 werd door Jan Wessels, beleidsmedewerker Monumentenzorg van de gemeente Arnhem, een inleidend artikel geschreven over de ‘stenen wortels van Arnhem’ en het Arnhemse kelderproject. In dit artikel wordt ingegaan op de bouwhistorische aspecten van de -veelal middeleeuwse- Arnhemse kelders.

De kelders en het binnenstadsonderzoek Vanaf 1991 is door het Monumenten Advies Bureau een start gemaakt met een grootscheeps onderzoek in de binnenstad van Arnhem, waarbij alle panden in de stad ook wat betreft het interieur van kelder tot kap werden onderzocht. Dit onderzoek leidde tot verrassende vondsten. Niet alleen kwamen nog tientallen tot dan toe onbekende, vaak nog behoorlijk gaaf bewaarde middeleeuwse en zeventiende-eeuwse huiscasco’s aan het licht, maar tevens ook een groot aantal veelal uit de middeleeuwen daterende gewelfkelders. Onder deze kelders bevonden zich enkele zeer oude exemplaren van indrukwekkende afmetingen. In het westelijke stadsdeel bleek voorts dat er sprake was van aaneengesloten reeksen historische kelders. Slechts een enkel exemplaar was gerestaureerd en in gebruik als restaurant of winkelruimte, de meeste kelders waren echter sedert de Tweede Wereldoorlog niet meer betreden.

Gedurende het onderzoek hebben we een paar keer het idee geopperd om te onderzoeken of er mogelijkheden zouden zijn om deze ondergrondse stad voor een breder publiek te ontsluiten. Deze voorstellen zijn langzaam maar zeker binnen de politieke gelederen doorgedrongen, met als resultaat het project Rijnstraatkelders waarmee vanaf 1998/99 een serieus begin werd gemaakt. Van belang voor het onderzoek was dat dit project binnen het binnenstadsonderzoek de gelegenheid bood om diepgaand complete bouwblokken te onderzoeken, met name op kelderniveau. Daarbij was het tevens mogelijk om de onderlinge samenhang tussen de verschillende percelen goed onder de loep te nemen. Het westelijke binnenstadsgebied vormt bovendien voor het binnenstadsonderzoek een zeer interessant gebied, omdat dit stadsdeel (waarbinnen zich de Rijnstraat en de bekende Korenmarkt bevinden), het deel van de stad is waar al vroeg (in de late 13de- en vroege 14de eeuw) geheel in steen opgetrokken huizen verrezen met grote in steen overwelfde kelders. Dit voormalige handelsgebied leverde dan ook afgezet naar de resultaten in de andere stadsdelen veel informatie op met betrekking tot de vroege ontwikkeling van de kelders en de vroege steenbouw als geheel. Voorts leverde een vergelijking van de resultaten veel informatie over de ontwikkeling van de stad als geheel in de middeleeuwen.

Onderzoek van de Rijnstraatkelders; de werkwijze

Bij het vooroverleg tussen de bouwhistorici van het MAB, gemeente en plannenmakers (bureau Braaksma en Roos) werd snel duidelijk dat voor zowel het onderzoek als het plan een nauwkeurige opmeting de basis moest vormen van waaruit gewerkt zou gaan worden. De opmeting werd uitgevoerd door mensen van beide bureau’s, waarbij meetgegevens en ondersteunende fotografie per E-mail werden uitgewisseld. De opmeting was geen gemakkelijke opgave. Zo moest zo exact als mogelijk was de dikte van de muren tussen de verschillende kelders worden gemeten, alsmede de vloerhoogte en gewelfhoogte ten opzichte van het ook in de straat steeds verlopende maaiveld. De ligging van de kelders ten opzichte van elkaar moest tevens worden bepaald middels doormeting van de erboven gelegen huizen, omdat duidelijk was dat de plattegronden maar zelden een zuivere rechthoek vormden. Nadat de kelders individueel waren uitgetekend is het geheel in elkaar gepast waardoor opgezet in Autocad een complete kelderplattegrond ontstond van de in het project betrokken bouwblokken (afb. 1). Op de individuele keldertekeningen (plattegronden, doorsneden) is vervolgens in kleur de voorlopige datering van de diverse onderdelen aangeven, op basis van de bij het veldwerk verzamelde gegevens, die tevens zijn voorzien van relevante bouwhistorische informatie. Voor de tekstuele informatie is een standaardformulier gemaakt waarop de gegevens met betrekking tot vloeren, wanden, gewelven, trappen, kelderlichten en andere elementen zoals kaarsnissen, jongere tussenwanden, pekelbakken, wijnrekken en dergelijke zijn verwerkt. De bouwhistorische waardenstelling is zowel op de tekeningen als op de formulieren omschreven. Tezamen met de documentatie- en waardenstellende tekeningen en een fotobijlage vormden deze formulieren per kelder een complete documentatie. De resultaten speelden een belangrijke rol bij de totstandkoming van de plannen en de communicatie tussen de bouwhistorici en architecten verliep daarbij uitstekend.

Om op open gebleven vragen zoveel mogelijk antwoorden te kunnen geven en daar waar nodig het proces nog bij te kunnen sturen is als vervolg op het vooronderzoek ook tijdens de bouw het proces bouwhistorisch begeleid. Zo kon na partiële ontpleistering nog een aanscherping van dateringen plaats vinden en is ook ondersteunend archeologisch veldwerk verricht op plaatsen waar gewerkt moest worden aan vloeren en bij nieuw gemaakte doorbraken. Deze doorbraken waren zeer interessant omdat ze informatie gaven over de wijze waarop de kelders waren gebouwd en welke volgorde er is gebouwd. Bij de verwerking van de concepten tot een definitieve documentatie kwam het voordeel van de digitale verwerking naar voren, omdat hierdoor op eenvoudige wijze tekeningen aangepast konden worden. Uiteraard kon ook de documentatie op schrift hierdoor eenvoudig worden aangepast en aangevuld. Na afronding van het onderzoek is in maart 2002 het definitieve rapport samengesteld.

Onderzoek van de Rijnstraatkelders; de belangrijkste resultaten

In het onderzoek zijn ruim 35 kelders intensief onderzocht (zie afb. 1) en een belangrijk deel van deze kelders bleek te zijn ontstaan in de tweede helft van de 14de eeuw, vermoedelijk als onderdeel van een toen ook geheel in steen opgetrokken huis. De verstening van de stad was echter al eerder ingezet. Aanvullend onderzoek van de zogenaamde schepenkistoorkonden maakte duidelijk dat rondom ondermeer de Korenmarkt (destijds aangeduid als Novum Forum en Nije Merckt) vanaf de late 13de eeuw grote in aanvang nog vrijstaande huizen in steen waren gebouwd. Vanaf de 14de eeuw vond een verdere verdichting van de steenbouw plaats, waarbij de oorkonden soms duidelijk melding maken van nieuwe stenen huizen die tegen oudere stenen huizen worden gebouwd, waarbij men in de oude zijgevels van deze huizen mocht inbalken! Uit de gegevens van de doorbraken tussen de verschillende kelders in de Rijnstraat bleek wel dat de naast elkaar gelegen kelders veelal los van elkaar werden gebouwd. Soms stonden de zijmuren van de kelders strak tegen elkaar aan, maar soms bevond zich tussen beide muren een duidelijk grondpakket.

In enkele gevallen had men bij de bouw van een kelder gebruik gemaakt van de oudere zijgevel van de buurkelder en daar het gewelf in opgenomen. Afhankelijk van de muurdikte werd daarbij soms gebruik gemaakt van een klampmuurtje tegen de oudere muur, waarop men dan het gewelf opving. In die gevallen is dus reeds sprake van een gemene muurconstructie op kelderniveau.

Aan de zuidzijde van de Rijnstraat bleek dat het indrukwekkende keldercomplex van het vermaarde St.-Petersgasthuis het oudste in steen gebouwde complex was (afb. 2). Dit grote huis bleek uit het onderzoek van de doorbraken in aanvang vrij te hebben gestaan. Men had zelfs de buitenzijde van de zeer zorgvuldig opgetrokken kelderwanden compleet gevoegd, wat alleen mogelijk was wanneer zich tijdens de bouw rond het huis een grote bouwput heeft bevonden. In deze put heeft men al gewerkt met steigers. De bouwgeschiedenis van dit gaaf bewaarde grote stenen huis met weergangen, een traptoren en arkeltorens op de hoeken van de voor-topgevel is door eerder onderzoek van het MAB en de RDMZ behoorlijk in kaart gebracht. Dendrochronologische gegevens bepaalden vrij exact de datering van dit huis, dat opgetrokken is in de jaren 1354-55. Ongeveer 20 tot 30 jaar later volgden de eerste stenen huizen met kelders ter weerszijden van dit grote huis.

De in steen gebouwde huizen, die in de loop van de veertiende eeuw op grotere schaal in de stad verrezen, behoren meteen ook tot de grootste huizen die gedurende de middeleeuwen in Arnhem zijn gebouwd. Hun opzet en architectuur is te vergelijken met de stadskastelen in Utrecht, hoewel ze meestal kleiner zijn dan de Utrechtse voorbeelden. Ze behoren tot de groep van grote koopmanshuizen, herbergen en wijnhuizen die zich vooral concentreren in de handelskwartieren van de middeleeuwse steden. Zo ook in Arnhem, waar de handelaren en herbergiers zich in het begin vooral vestigden het westelijke deel van de stad rond de Vijzelstraat/Rijnstraat, de Korenmarkt en mogelijk ook de Jansstraat met Grote Oord.

De eerste stenen huizen van Arnhem volgen in hun opbouw en architectuur weliswaar hun oudere voorbeelden in de grote handelssteden, hun kelders daarentegen bezitten een onderdeel dat typisch Arnhems kan worden genoemd. De hoofdopzet van deze kelders volgt een algemeen bekend type. Alle veertiendeeeuwse kelders in de stad bezitten dan ook een hoog tongewelf dat bij deze vroege voorbeelden bijna altijd een zuivere rondbooglijn volgt. Vanaf de vloer gerekend bevindt de kruin van het gewelf zich op een hoogte tussen de drie en vier meter, waardoor een indrukwekkende ruimtewerking is ontstaan. Deze eerste gewelven zijn zwaarder uitgevoerd dan hun navolgers uit de vijftiende eeuw. De veertiende-eeuwse gewelven zijn meestal een steen dik, de jongere gewelven hebben slechts een dikte van een halve steen.

Het onderdeel dat we kenmerkend noemden voor de vroege Arnhemse kelders is het zogenaamde trapportaal. Dit is een in de kelder zelf, meestal in een van de hoeken tegen de voorgevel gemetselde ruimte, waarin de trap vanuit de kelder naar de straat was ondergebracht. In de kelder was deze trapruimte afsluitbaar middels een deur, aangebracht in een rondboogopening in de voorgevel van het portaal (afb. 3). De zijmuur van het trapportaal loopt niet over de gehele lengte tot de vloer door. De bouwers brachten namelijk onder de zware stenen trap van het portaal ter ondersteuning een half tongewelf aan dat rust tegen de voorgevel. Dit gewelf toont zich in de zijgevel van het portaal als een halve rondboog. Hier kon je dus vanuit de kelder onder de trap van het portaal komen (afb. 4). De trap zelf liep in de straat nog een stukje door in een gemetselde koekoek, totdat men op het straatniveau was. Bij kelders die in de kelder zelf geen trapportaal hadden en waarbij de toegang tot de kelder dus niet beneden was af te sluiten, bracht men in de straat meestal afsluitbare luiken op de koekoek aan. Of de Arnhemse kelders met een trapportaal naast de deur beneden ook op straatniveau afsluitbare luiken hadden is niet bekend.

Het is opmerkelijk dat alle bewaard gebleven veertiende-eeuwse kelders in Arnhem van het zelfde type zijn, waarbij binnen een ruime tongewelfkelder een trapportaalruimte voorhanden is. Bij de kelders waar thans een portaal ontbreekt, is dit er -getuige tijdens het onderzoek in de muren aangetroffen sporen- oorspronkelijk ook aanwezig geweest. Het is opmerkelijk dat deze trapportalen bij de jongere kelders uit de vijftiende eeuw nog maar sporadisch voorkomen. Bij de kelders die na 1450 zijn gebouwd treffen we geen enkel portaal meer aan! De kelders die gebouwd zijn in de vijftiende eeuw zijn in de regel ook kleiner. Soms bevinden ze zich alleen onder het achterhuis. Bovendien worden er vanaf de vijftiende eeuw in de stad vaker kelders van een ander type gebouwd, met een in beuken verdeelde ruimte en overwelvingen op gemetselde pijlers.

Uit historische bronnen blijkt dat de stadsvorming van Arnhem in de dertiende eeuw in hoge mate is ondersteund door de graven van Gelre, waarbij in het westelijke stadsdeel zelfs sprake is van een planmatige opzet rond de toen ontwikkelde nieuwe markt, de huidige Korenmarkt. De Gelderse graaf streefde daarbij duidelijk naar het versterken van de positie van de stad binnen de nationale en internationale handel. Met name het westelijke stadsdeel moest daarbij uitgroeien tot het handelskwartier met representatieve koopmanshuizen, herbergen en wijnhuizen en marktpleinen met grote, ook aan kooplieden van buiten de stad verhuurbare voorraadkelders. Bij de Rijnpoort bevond zich dan ook de haven. De historische bronnen maken tevens duidelijk dat de stad bij de onderlinge concurrentiestrijd met oudere handelssteden zoals Kampen, Nijmegen en bijvoorbeeld Dordrecht tegen het einde van de veertiende eeuw voor een belangrijk deel het onderspit moest delven. Het verkeer via de Rijn over de IJssel en via de Rijn over de Waal bleek belangrijker dan het verkeer over het Nederlandse deel van de Rijn. Vanaf de vijftiende eeuw stagneert dan ook de groei en blijken nieuwe grote koopmanshuizen met grote kelders niet meer nodig te zijn. In de lokale context blijft de stad als marktplaats, ambachtsstad en als residentiestad van het Gelderse hof wel een grote rol spelen. Het is aardig om te zien dat deze ontwikkelingen vooral ook aan de kelders in de stad duidelijk zijn af lezen.

In november 2003 verscheen bij uitgeverij Matrijs het dertiende deel van de Arnhemse Monumentenreeks. Net als het eerste deel, waarin de huizen van de binnenstad worden beschreven wordt in dit deel het vizier weer op de binnenstad gericht, waarbij nu de kelders centraal staan. In het boek wordt uitgebreid ingegaan op de kelders in relatie tot de ontwikkeling van de stad (F.A.C. Haans en C.J.B.P. Frank, De ondergrondse stad. Een tocht door de Arnhemse kelders. Arnhemse Monumentenreeks deel 13, Stichting Monuscript Arnhem/Matrijs Utrecht, november 2003).

Frank Haans

Jaargang 2009
nummer 1, januari 2009
Jaargang 2009, nummer 1
Jaargang 2008
nummer 3, augustus 2008
Jaargang 2008, nummer 3
nummer 2, april 2008
Jaargang 2008, nummer 2
Jaargang 2007
nummer 2, april 2007
Jaargang 2007, nummer 2
nummer 1, januari 2007
Jaargang 2007, nummer 1
Jaargang 2006
nummer 2, december 2006
wederopbouw
Na-oorlogs bouwen in Overijssel
nummer 2, december 2006
restauratie
Restauratie Villa Pera in Baarn
nummer 2, december 2006
actualiteiten
De nieuwe Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten
nummer 2, december 2006
boeken
Goed voorbeeld doet goed volgen
nummer 2, december 2006
mededelingen
Nieuws van bestuur en redactie
Jaargang 2005
nummer 2, april 2005
Jaargang 2005 jubileumnummer 2/3
nummer 1, januari 2005
Jaargang 2005, nummer 1
Jaargang 2004
nummer 4, oktober 2004
wederopbouw
Naoorlogse Bouwkunst — 2
nummer 4, oktober 2004
interview
M. Hendriksen-Ansing, voorzitter van de Stichting 2003 Jaar van de Boerderij
nummer 4, oktober 2004
bouwhistorie
Het bouwhistorisch onderzoek van kelders in Arnhem
nummer 3, juli 2004
restauratie
Kasteel Nederhemert
nummer 3, juli 2004
restauratie
De Heilige Servatius
nummer 2, april 2004
restauratie
Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
nummer 2, april 2004
interview
Linda Boot, projectdirecteur samenvoeging ROB-RDMz
nummer 2, april 2004
restauratie
Gevelsteen “IndeVier Heems Kinderen”, Spaarne 94 te Haarlem
nummer 1, januari 2004
restauratie
De Antichambre: Een vertrek in het stadhuis van Haarlem
nummer 1, januari 2004
interview
Herman van Santen, wethouder Ruimtelijke Ordening van de gemeente Gorinchem
nummer 1, januari 2004
restauratie
Restauratie beeldengroep: “de Vier Jaargetijden”
nummer 1, januari 2004
wederopbouw
Naoorlogse Bouwkunst — 3
Jaargang 2003
nummer 2, april 2003
interview
Gerard Overeem en Hendrik-Jan Tolboom: bevlogen natuursteenkenners
nummer 1, januari 2003
monumenten
Boerderij “Bouwlust” in Bergambacht
nummer 1, januari 2003
restauratie
Perikelen bij orgelrestauraties
20 maart 2013 (afgerond)
Studiedag met TNO in Delft: Resultaatgericht restaureren

Het Bestuur van de Nederlandse Vereniging vanĀ  Monumentenzorgers en TNO Bouw te Delft nodigen leden en relaties uit voor de jaarlijkse gezamenlijk...

[meer info]