NVMz-nieuws
nummer 4, oktober 2004
WEDEROPBOUW
Naoorlogse Bouwkunst — 2
In het vorige nummer van NVMznieuws heb ik u ingelicht over het Projectteam Wederopbouw van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) en het beleid en de werkzaamheden met betrekking tot de individuele gebouwen. Ook heb ik het belang van draagvlakverbreding en het samenwerken met andere organisaties benadrukt. In dit artikel wil ik aandacht besteden aan de (vroeg-)naoorlogse woonwijken en de problematiek die daar speelt. Maar allereerst: hoe geschonden kwam Nederland uit de oorlog, de woningnood en de toenmalige woningpolitiek.
Naoorlogse woningvoorraad
Tussen 1940 en 1965 werden 1,2 miljoen woningen gebouwd. Van de 2,1 miljoen woningen in Nederland in 1940 zijn er gedurende de oorlog 86.400 verwoest (waarvan 25.000 in Rotterdam), 43.500 zwaar en 293.000 licht beschadigd. De schade was niet alleen een gevolg van de Duitse inval in mei 1940, maar ook van de gevechten voorafgaand aan de bevrijding en misbombardementen door de geallieerden. Verder waren leegstaande huizen van met name de joodse bevolking in de laatste oorlogswinter 1944/45 volledig gestript, om het hout te kunnen gebruiken voor de kachel en de oven. Na aftrek van het herstel van de beschadigde woningen, werd het tekort na de oorlog ingeschat op 260.000 tot 280.000 woningen.
In juni 1942 was door de Duitse bezetter een bouwstop opgelegd. Materiaal en mankracht werd in het vervolg alleen nog maar ingezet ten behoeve van de oorlogsindustrie. Bij de bevrijding was er daarom niet alleen een enorme oorlogsschade, maar ook een gebrek aan materiaal, materieel en mankracht. Als gevolg van de economische malaise kwam de bouwproductie ook niet echt van de grond in de eerste naoorlogse jaren. Daarnaast nam de bevolking na de oorlog sterk toe (de babyboom): de bevolking groeide van 8.8 miljoen in 1940 tot 12.9 miljoen in 1970, of om in huishoudens te spreken: van 2,3 miljoen huishoudens in 1947 tot 3,6 miljoen in 1971.
Om de kosten te beheersen stelde het rijk na de oorlog jaarlijks een woningbouwprogramma op en de verdeling daarvan over de gemeenten, de zogenaamde contingentering. In eerste instantie was de contingentering gebaseerd op behoefte per gemeente. Om de bouwproductie te stimuleren wijzigde dit beleid in 1956 in verdeling naar bouwcapaciteit. Niet alle gemeenten bleken in staat zo te plannen dat ze het hun toegewezen contingent in het betreffende jaar ook daadwerkelijk bouwden. Door te verdelen naar bouwcapaciteit in het land was het eenvoudiger de jaarlijks voorgenomen aantallen woningen te realiseren. Ook werden ter bevordering van het gebruik van bouwsystemen extra contingenten beschikbaar gesteld. Grotere gemeenten sloten ook contracten met aannemers om zo een continue bouwstroom te garanderen, wat ook weer extra contingenten opleverde. Het rijk stimuleerde ook het gebruik van standaardplattegronden en keuzeplanwoningen. Het voordeel voor de gemeenten en de corporaties was dat ze tijdrovende vergunningprocedure niet hoefden te doorlopen. Ze konden direct starten met de bouw.
De bouw van woonwijken werd op deze wijze steeds sterker bepaald door regelgeving, subsidies en bouwcapaciteit. Ook centraal gestuurde economische ontwikkelingen bepaalden waar gebouwd werd in Nederland.
Problemen in naoorlogse wijken
In 1992 bepaalde het ministerie van VROM dat de stadsvernieuwingsgelden moesten worden ingezet in de historische kernen en de vooroorlogse wijken. De opbrengsten van de huren in de naoorlogse wijken werden verwacht toereikend te zijn om het reguliere onderhoud van de woningen daar te garanderen. Onderzoek in 1997 leverde echter een zeer negatief beeld op van de naoorlogse wijken.
- De wijken en de woningen waren fysiek verouderd. De woningen zouden niet meer voldoen aan de huidige eisen en gewenste kwaliteiten. De wijken leden ook aan gebrek aan onderhoud. Blijkbaar waren de huren en de inzet van de gemeenten toch niet voldoende.
- Sociaal-economische achteruitgang. De wijken waren van oudsher vooral op het wonen gericht. Echter de middenstand trok steeds meer weg uit de wijken. De enkele bedrijven die er zaten waren ook vertrokken door gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden of door milieueisen.
- De wijken waren vergrijsd doordat de bewoners uit de jaren vijftig en zestig er waren blijven wonen (Wat is er trouwens tegen een seniorenbuurt?). Door de veelal lage huren kwamen armlastigen, verdreven uit de opgeknapte vooroorlogse wijken, massaal naar de naoorlogse wijken.
- De gegoede bevolking vertrok naar de opgeknapte buurten of naar de VINEX-locaties. Hierdoor wijzigden de wijken in buurten voor de zwakkeren in de samenleving.
- De jaren negentig kenmerkten zich ook door bezuinigingen of privatisering van de gemeentelijke plantsoenendiensten. Het groen moest daarmee zo onderhoudsvriendelijk mogelijk zijn. Ook waren bewoners niet langer gevoelig voor bordjes ‘Verboden het gras te betreden’.

