NVMz-nieuws
nummer 2, april 2004
RESTAURATIE

Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland

Restauratie Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
Restauratie Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
Restauratie Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
Restauratie Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
Historische foto oostelijk
stoomgemaal
Historische foto oostelijk stoomgemaal
De ‘vuurmachine’
De ‘vuurmachine’

Aspecten van historie, restauratie en hergebruik

Inleiding

De gebouwen van het voormalig Oostelijk Stoomgemaal aan de Admiraliteitskade nabij het Oostplein te Rotterdam vormen een nog zichtbare schakel in een reeks van deels verdwenen of ondergrondse waterstaatkundige werken in de omgeving van het Oostplein en de Oostzeedijk.

Het complex bestaat uit drie gebouwen, gesitueerd rondom een binnenplein, met een toegangspoort aan de Admiraliteitskade. Het Machine- of pompenhuis is met een langsgevel aan de Admiraliteitskade gelegen en herbergde vroeger de grote centrifugaalpompen van het gemaal. Het Machinehuis heeft tevens een tweetal machinistenwoningen op de bovenverdiepingen. Achter het Machinehuis bevindt zich op het binnenterrein het Ketelhuis, een hoog gebouw met blank eiken toegangsdeuren en fraaie Polonceauspanten. Hier bevonden zich de stoomketels voor de aandrijving van de pompen. Een rookafvoer leidde naar een hoge schoorsteen op de binnenplaats. Tegenover het ketelhuis bevindt zich de kolenbergplaats, een langgerekt, relatief laag gebouw, met nog altijd een hoogte van ca. 7 meter. Naast dat dit gebouw als “kolenhok” was er ook een toilet voor de kolentremmers. De machinisten verbleven apart in het Machinehuis en hadden witte werkjassen.

Door een onder de Oostzeedijk en het gemaal gelegen gemetselde tunnel werd het water vanuit de polders aangevoerd en vervolgens via het gemaal in de Nieuwe Maas gepompt.

In de loop van de tijd was er op de binnenplaats nog een recentere aanbouw tegen het Ketelhuis geplaatst, waren er systeemplafonds aangebracht en waren muren met plaatmateriaal bekleed.

Gebouwd in 1898 was er omstreeks 1997, bijna een eeuw later, sprake van het afbreken van de schoorstenen van de machinistenwoningen op advies van Bouwen Woningtoezicht van de gemeente. Deze waren in de loop van de eeuw door de werking van vocht en zonnewarmte krom gaan staan. Tevens was er echter sprake van aanwijzing als Rijksmonument en mogelijke wijziging van functies. Een projectontwikkelaar had al voorstellen gemaakt tot het vestigen van een disco in de resten van de ondergrondse gewelven.

Bij een eerste beschouwing van het geheel bleek dat de schoorstenen behouden zouden kunnen worden. Daarnaast werd er uitvoerig overleg gepleegd met de eigenaren en met de gemeente over de gewenste functies. De conclusie was dat de toenmalige functies, zijnde meubeltoonzalen en een kantoorruimte, gehandhaafd zouden blijven.

Vervolgens werd een terughoudend en conserverend restauratieplan opgesteld, waarbij de ruimtelijke structuur van de binnenplaats en het Ketelhuis weer zichtbaar zou worden gemaakt, houtwerk, metselwerk en voegwerk waar nodig zouden worden hersteld, ondergrondse gewelven toegankelijk zouden worden gemaakt en het industriële karakter weer zou worden benadrukt.

In het Ketelhuis werd een extra tussenvloer met een vide voorzien, constructief geheel losstaand van het omliggende monument en volledig demontabel. Hiermee zouden op een verantwoorde wijze de exploitatiemogelijkheden verbeterd kunnen worden. Gedurende het vooronderzoek bleken zich onder het geheel van gebouwen en binnenplaats unieke ondergrondse gewelven te bevinden, waarvoor een apart plan van aanpak werd opgesteld.

Met de nu bijna voltooide restauratie wordt in de gebouwen gestreefd naar een verantwoorde combinatie van wonen, kantoor en winkel- of toonzaalfunctie. In de voor het publiek toegankelijke gewelven is opstelling van designmeubelen en een kleine expositie over de geschiedenis van het complex voorzien.

Historie

Molens en boezems

Vanaf de middeleeuwen werd het water vanuit de veengebieden en polders boven Rotterdam via de Rotte in de Nieuwe Maas geloosd. In de loop van de 17de eeuw ontstonden ook de grote veenplassen ten noorden van de stad. De Bergse Plassen en de Kralingse Plas zijn hiervan de laatste overblijfselen.

In de loop van de 18de eeuw werden de eerste veenplassen weer drooggelegd en ontstaan de droogmakerijen van Schiebroek (1772) en die van Bleiswijk en Hillegersberg (ca. 1785). Deze droogleggingen hadden tot gevolg dat het oppervlak van de te bemalen polders aanzienlijk toenam en dat tevens de opslagcapaciteit van water met de veenplassen verdween. In deze situatie was de Rotte niet meer in staat om de hoeveelheid water vanuit de omliggende polders en droogmakerijen op te slaan en af te voeren.

Al in 1665 werden plannen overwogen om de afwatering van de polders en veenplassen te verbeteren. Deze plannen bleven onuitgevoerd en zouden, door de omstandigheden gedwongen, pas omstreeks 1740 tot uitvoering worden gebracht.

In samenhang met de Rotte en de oostelijke stadsgracht van de oude binnenstad werd een boezem of kolk aangelegd, welke met een gewelf onder de Oostzeedijk door via het Boerengat op de Nieuwe Maas afwaterde. In de Kolk, naast het huidige Oostplein, werd door middel van een grote, stenen watermolen het water nogmaals hoger opgebracht naar het gewelf toe. Deze molen, de Kostverloren Molen, had twee schepraderen en daarmee de dubbele capaciteit van de gemiddelde watermolen. Met laag water in de rivier kon dan het gewelf, een lange, gemetselde tunnel van ca. 6 meter breed en 6 meter hoog, weer afwateren.

Omstreeks 1760 moest, naast de bestaande polders, gezorgd worden voor de afwatering van ca. 3000 ha. nieuw polderland van de droogmakerijen. In 1766 sloegen al 31 poldermolens hun water uit op de Rotte en daarmee op de Kolk. De capaciteit daarvan was kennelijk onvoldoende, aangezien in 1772 werd begonnen met de aanleg van de Hoge Boezem. Deze Boezem kreeg een oppervlakte van ruim 56.000 m2 met een inhoud van 70000 m3. De lengte ervan was bijna 2 kilometer en de breedte 25 meter. Vanuit de Rotte werd nu het water eerst opgebracht in de Lage Boezem en vandaar uit met 8 molens in de Hoge Boezem. De Kostverloren Molen zorgde ervoor dat het water vanuit de Polder Kralingen in de Hoge Boezem werd opgebracht. De Hoge Boezem en de Kolk waterden via het gewelf weer af op de Nieuwe Maas.

De Vuurmachine

Het is de vraag of de bewoners van de Steven Hogendijkstraat in Rotterdam weten naar wie hun straat nu eigenlijk is genoemd en waarom. Kennelijk was hij een verdienstelijk inwoner van de stad. Omstreeks het eind van de 18de eeuw was hij de stichter van het Bataafs Genootschap van Proefondervindelijke Wijsbegeerte. Het was de tijd van de Patriotten, de Genootschappen en de Maatschappijen tot Nut van het Algemeen. Daarnaast was Hogendijk ook technisch onderlegd en op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de stoommachine.

In 1776 werd in de Admiraliteits-kruittoren, een van de oude torens van de oostelijke middeleeuwse stadsmuur, een “vuurmachine” , een eerste stoomgemaal, in werking gesteld, waarmee het water vanuit de stadsgracht (en dus vanuit de Hoge Boezem) in de Kolk kon worden gepompt. Het verschijnsel werkte, maar er was veel tegenstand tegen deze politiek beladen nieuwigheid. Hogendijk had verlichte, revolutionaire denkbeelden en was tegen het Oranjehuis. Na de nodige commotie en politieke wisselingen van de wacht werd het werk van de Vuurmachine weer door windkracht overgenomen. De trend was echter gezet voor de toekomst, ook al gebeurde er bijna 70 jaar lang niets.

In 1869 werd besloten de Kostverloren Molen af te breken en op die plek een nieuw stoomgemaal te bouwen. Het werd een eenvoudig gemaal met een scheprad, net als de vroegere molen, en met een vermogen van 100 pk. Met dit gemaal zou het water vanuit de Lage Boezem direct 2,15 m hoger gebracht kunnen worden naar de Hoge Boezem. Het nieuwe stoomgemaal vertoonde echter de nodige gebreken en het met een scheprad omhoog brengen van het water naar de Hoge Boezem bleef een moeizame zaak.

Het Oostelijk Stoomgemaal

In 1897 werd besloten een geheel nieuw en krachtig stoomgemaal te bouwen, aan het water van de Admiraliteitskade en met een ondergrondse aftakking naar het gewelf. Met dit gemaal kon het water vanuit de Rotte en de Hoge Boezem direct op de Nieuwe Maas geloosd worden, onafhankelijk van waterstanden en weersomstandigheden. Hiermee konden tevens alle molens van de Rotte naar de Hoge Boezem vervangen worden.

Het Oostelijk Stoomgemaal werd gebouwd op het terrein dat werd gebruikt voor het stallen van de karren en tonnenwagens van de gemeentelijke reinigingsdienst. In Rotterdam was geleidelijk een riolering aangelegd en werden de tonnetjes van de toiletten overbodig. De “wagens van Boldoot” verdwenen uit het stadsbeeld. Het was overigens geen toeval dat het parkeerterrein voor deze tonnetjeswagens aan de oostkant van de stad was gelegen, gezien de heersende westenwind en de inhoud van deze tonnetjes.

De “Fabriek” (de oude benaming voor de architect) van het Hoogheemraadschap van Schieland, A. Nolen, tekende het ontwerp in een martiale, eclectische stijl, met veel natuursteen en kanteelachtige ornamenten. Door de Maatschappij voor Scheeps- en Werktuigbouw Feijenoord werden twee compound stoommachines geleverd, met vier centrifugaalpompen, een vermogen van 300 pk en een capaciteit van 640 m3 water per minuut. De stoommachines werden gevoed vanuit vier stoomketels. Ketels stonden in een groot Ketelhuis met ventilatiekasten op het dak, machines en pompen stonden in het Machinehuis. Het geheel werd, met een kolenopslag, rondom een binnenterrein gegroepeerd. De aanvoer van het te lozen water vond plaats vanuit een aftakking van het oude gewelf via vier reusachtige gietijzeren aanzuigmonden, die via de pompen uitwaterden in het Boerengat en de Nieuwe Maas.

Het gemaal werd op 1 november 1899 in gebruik genomen, nadat een jaar aan de bouw was gewerkt.

In 1925 werden beide stoommachines vervangen door twee Werkspoor dieselmotoren (280 pk, 800 m3 per minuut) en werd de grote schoorsteen waarschijnlijk ingekort. Deze twee diesels werden in 1961 weer vervangen door vier Bolnes-diesels, zodat de vier pompen afzonderlijk konden draaien. Het geheel heeft toen nog ruim 15 jaar dienst gedaan totdat de taak in 1977 werd overgenomen door het gemaal U.G. Schilthuis, aan de kop van de Hoge Boezem. Vanaf dit gemaal werden nieuwe pijpen direct naar het Boerengat geleid en werd het gewelf van 1740 na bijna 240 jaar buiten gebruik gesteld. Het geheel viel ook samen met de aanleg van een metrolijn, die ter hoogte van de Oostzeedijk het gewelf zou doorsnijden. In de gebouwen van het voormalig Oostelijk Stoomgemaal werd de firma Europoort Meubelen gevestigd.

Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland

Restauratie

Na de ingebruikneming als meubeltoonzalen is in de loop van 1998 het besef gegroeid dat een restauratie noodzakelijk was. Na aanwijzing tot Rijksmonument is daartoe in het jaar 2000 door de eigenaren definitief een besluit genomen. In 2001 is door de Gemeente Rotterdam, met een positief advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, een omvangrijk conserverend restauratieplan goedgekeurd. Dit plan hield in:

  1. waar nodig herstel van gescheurd muurwerk. Er bevond zich ca. 100 m1 scheuren in het complex.
  2. herstel en aanhelen van natuursteen met restauratiemortel.
  3. herstel van voegwerk waar nodig, met name de zuidgevel van het Machinehuis en de westgevel van de Kolenberging.
  4. herstel van het metselwerk van de toegangspoort, welke herhaaldelijk door vrachtwagens beschadigd was.
  5. herstel van houtwerk van kozijnen, ramen en deuren.
  6. vervangen van goten en regenpijpen.
  7. ruimtelijk herstel van het Ketelhuis door het verwijderen van systeemplafonds en het weer in het zicht brengen van de spantconstructie.
  8. aanpak van vochtproblemen in het Ketelhuis, veroorzaakt door lekkende goten en optrekkend vocht, en in de Gewelven met als oorzaak poreus voegwerk en scheuren.
  9. opschonen van de gewelven en deze voor het publiek toegankelijk maken.
  10. herstel van de open binnenplaats door sloop van een recentere aanbouw van het Ketelhuis.

Medio 2002 is een begin gemaakt met de restauratie van de gebouwen en gewelven. Deze werd uitgevoerd door de fa. Den Hoed uit Bergambacht, aangesloten bij de Stichting Vakgroep Restauratie. Uit de gewelven kwam ca. 250 ton puin, beton en betonijzer tevoorschijn. De gewelven staan op een grenenhouten funderingsvloer met ca. 40 cm brede vloerdelen. Deze funderingsvloer heeft continu, vanaf 1740, onder water gestaan. In het verleden was over ca. 60 m2 van de 400 m2 een betonvloer gestort, welke voor een deel nog verwijderd kon worden. Na bijna een jaar de werking van de gewelven en de vloeren te hebben bestudeerd is in overleg met het Bureau Monumenten van de Gemeente Rotterdam besloten op ca. 50 cm boven de funderingsvloer een azobé loopvloer aan te leggen. Hierdoor worden de gewelven toegankelijk, en kan de originele 18de eeuwse funderingsvloer onder water blijven staan om wegrotten van het hout te voorkomen. Voor de loopvloer zijn op ouderwetse wijze vellingdelen toegepast. De scheuren en lekken in de gewelven werden door de fa. Dryworks met aquapress gedicht, een werkwijze die zonodig herhaald kan worden.

Kap met Polonceauspanten
Kap met Polonceauspanten
Tussenverdieping
Tussenverdieping

Het boven de gewelven gelegen pand Oostzeedijk 226 wordt in het geheel betrokken. Een huurder van dit pand had zich al eens eerder via het hakken van een gat toegang tot de gewelven verschaft.

Het voegwerk is, waar nodig, vervangen door een identieke snijvoeg. Bij een aandachtige beschouwing zijn lichte kleurverschillen met het oude voegwerk zichtbaar, zonder dat het een opvallende lappendeken is geworden. Scheuren in het metselwerk zijn plaatselijk uitgehakt en ingeboet, maar ook gelijmd en met op kleur gebrachte restauratiemortel hersteld. Dit na controle of de scheuren stabiel waren. De hoofdoorzaken van de scheuren moesten gezocht worden in het opvoeren van het vermogen van het gemaal, met de daarmee gepaard gaande trillingen van de machines, en mogelijk de trillingen van het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940.

Op de kozijnen en ramen werd kleurenonderzoek uitgevoerd, waarna de originele kleurstelling met wit en donkergroen weer werd toegepast. De naturel eiken deuren van het Ketelhuis werden in de olie gezet.

Van bijzonder belang was de inrichting van het Ketelhuis, waarin zowel een kantoor als een meubeltoonzaal moesten worden ondergebracht. In overleg met de eigenaar en de gemeente is besloten tot het inbouwen van een (weer volledig te verwijderen) tussenvloer met een vide, zodat de fraaie dakconstructie met Polonceauspanten in het zicht zou blijven. Bezoekers kunnen het geheel van deze ruimte nu op een bijzondere manier beleven. Gekozen is voor een houten tussenvloer van Oregon Pine en Europees grenen delen, zodat een continuiteit ontstaat met de vloeren in de gewelven en een milieuvriendelijk hergebruik van materiaal mogelijk blijft. Vanaf de tussenvloer biedt het grote staande raam van het ketelhuis weer uitzicht op de binnenplaats.

De vochtproblemen in de muren werden, na het vervangen van lekkende goten, aangepakt met een Hydroment saneermortel, die ter plekke op de bouwplaats samengesteld kan worden en aanmerkelijk goedkoper is dan voorverpakte systemen. Hiermee werden tevens problemen van optrekkend vocht ondervangen. De vroegere vloer van betontegels uit de 70er jaren is vervangen door een cementvloer met vloerverwarming, zodat de ruimte als geheel voor meerdere doeleinden geschikt is. Een eenvoudige balustrade en een industrieel aandoende verlichting completeren het geheel. Inmiddels hebben de burgemeester, de wethouder Monumentenzorg en bestuurders van de Deelgemeente Kralingen-Crooswijk dit bijzondere project herhaaldelijk bezocht.

Plan en begeleiding werden verzorgd door het Nederlands Adviesbureau Monumentenzorg Interieurarchitectuur uit Schoonhoven.

drs. Theo Elsing

Nederlands Adviesbureau Monumentenzorg Interieurarchitectuur te Schoonhoven. www.monumentenzorginterieurarchitectuur.nl

Jaargang 2009
nummer 1, januari 2009
Jaargang 2009, nummer 1
Jaargang 2008
nummer 3, augustus 2008
Jaargang 2008, nummer 3
nummer 2, april 2008
Jaargang 2008, nummer 2
Jaargang 2007
nummer 2, april 2007
Jaargang 2007, nummer 2
nummer 1, januari 2007
Jaargang 2007, nummer 1
Jaargang 2006
nummer 2, december 2006
wederopbouw
Na-oorlogs bouwen in Overijssel
nummer 2, december 2006
restauratie
Restauratie Villa Pera in Baarn
nummer 2, december 2006
actualiteiten
De nieuwe Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten
nummer 2, december 2006
boeken
Goed voorbeeld doet goed volgen
nummer 2, december 2006
mededelingen
Nieuws van bestuur en redactie
Jaargang 2005
nummer 2, april 2005
Jaargang 2005 jubileumnummer 2/3
nummer 1, januari 2005
Jaargang 2005, nummer 1
Jaargang 2004
nummer 4, oktober 2004
wederopbouw
Naoorlogse Bouwkunst — 2
nummer 4, oktober 2004
interview
M. Hendriksen-Ansing, voorzitter van de Stichting 2003 Jaar van de Boerderij
nummer 4, oktober 2004
bouwhistorie
Het bouwhistorisch onderzoek van kelders in Arnhem
nummer 3, juli 2004
restauratie
Kasteel Nederhemert
nummer 3, juli 2004
restauratie
De Heilige Servatius
nummer 2, april 2004
restauratie
Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
nummer 2, april 2004
interview
Linda Boot, projectdirecteur samenvoeging ROB-RDMz
nummer 2, april 2004
restauratie
Gevelsteen “IndeVier Heems Kinderen”, Spaarne 94 te Haarlem
nummer 1, januari 2004
restauratie
De Antichambre: Een vertrek in het stadhuis van Haarlem
nummer 1, januari 2004
interview
Herman van Santen, wethouder Ruimtelijke Ordening van de gemeente Gorinchem
nummer 1, januari 2004
restauratie
Restauratie beeldengroep: “de Vier Jaargetijden”
nummer 1, januari 2004
wederopbouw
Naoorlogse Bouwkunst — 3
Jaargang 2003
nummer 2, april 2003
interview
Gerard Overeem en Hendrik-Jan Tolboom: bevlogen natuursteenkenners
nummer 1, januari 2003
monumenten
Boerderij “Bouwlust” in Bergambacht
nummer 1, januari 2003
restauratie
Perikelen bij orgelrestauraties
20 maart 2013 (afgerond)
Studiedag met TNO in Delft: Resultaatgericht restaureren

Het Bestuur van de Nederlandse Vereniging vanĀ  Monumentenzorgers en TNO Bouw te Delft nodigen leden en relaties uit voor de jaarlijkse gezamenlijk...

[meer info]