NVMz-nieuws
nummer 2, april 2003
INTERVIEW

Gerard Overeem en Hendrik-Jan Tolboom: bevlogen natuursteenkenners

Gerard Overeem
Gerard Overeem

Met Gerard Overeem zou ik praten over zijn jarenlange ervaring met natuursteen in de monumentenzorg en de beeldhouwkunst en over de restauratie van de St.-Jan in Den Bosch. Bij deze restauratie is zijn collega natuursteendeskundige Hendrik-Jan Tolboom ook intensief betrokken en daarom is hij door Gerard uitgenodigd om bij het gesprek aanwezig te zijn. Het wordt een gesprek met twee enthousiaste, deskundige en veelzijdige mensen ergens in de kelder in het gebouw van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Aan Gerard:

Hoe bent u zo geboeid geraakt door natuursteen?

Als boerenzoon ben ik in 1961 naar de Akademie voor Beeldende Kunsten Artibus in Utrecht gegaan. Ik verwachtte niet alleen een beeldende opleiding te krijgen maar ook een ambachtelijke beeldhouwersopleiding met materialenkennis en kennis van gereedschappen en het juiste gebruik ervan. Dit bleek een misvatting; de beeldende aspecten domineerden de opleiding en daarom ben ik er de steenhouwersschool naast gaan doen.

Waar heeft u het vak echt geleerd?

Toen ik 22 was en van de akademie kwam wilde ik niet in de contraprestatieregeling belanden en ben ik gaan werken in een steenhouwerij in Amersfoort. Het mooie was dat het een ‘primitief’ bedrijf was zoals je het nu niet meer tegenkomt, maar waardoor ik het ambacht nog goed heb geleerd. Ik heb er veel oude technieken geleerd, waardoor je het materiaal goed leert kennen. Om een voorbeeld te noemen: ik heb geleerd om blokken met de hand te kloven. Dit is niet alleen zwaar werk waarbij je je spierballen moet gebruiken maar het is vooral interessant omdat je daarnaast altijd je grijze cellen aan het werk moet zetten om naar oplossingen te zoeken. Door naar de steen te kijken en te luisteren leer je de eigenaardigheden van de verschillende steensoorten kennen. Je raakt vertrouwd met het verschil tussen harde, taaie, zachte en korte steen, zodat je er iets van kan maken. Dat is het boeiende. Je maakt als het ware deel uit van de tradities die al lange tijd bestaan. Door het kijken naar ervaren steenhouwers groeit in de loop van de jaren je kennis en ervaring en weet je op een gegeven moment hoe bepaalde stenen bij kloven zullen reageren. Tegenwoordig wordt een stuk steen meestal onder een zaag gelegd, waardoor je veel minder gevoel ontwikkelt voor het karakter en de eigenschappen van de steen.

Wanneer bent u bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg gaan werken?

Ik heb tien jaar bij de steenhouwerij gewerkt en ben daarna in 1978 bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg gekomen, waar ik onlangs mijn vijfentwintig-jarig jubileum heb gevierd. Ik heb in het begin wel mijn kunsthistorische kennis moeten bijspijkeren, maar van het gevoel voor het materiaal zoals ik dat in de steenhouwerij leerde, heb ik tot op de dag van vandaag veel profijt bij mijn huidige werk.

Om tot een goed advies over vervanging, herstel of reconstructie te kunnen komen moet je namelijk het hele proces dat de steen doorloopt vanaf de groeve tot op de plek in het gebouw kunnen reconstrueren, zodat je elke handeling en elke volgende bewerking en ook de laatste handeling kan begrijpen. Bovendien moet je dat ook kunnen uitleggen en verwoorden. Je moet een vakman zijn om te onderscheiden wat bruikbaar is als je in een vervallen pand komt. Het ziet er soms dramatisch uit en je moet dan goed kunnen beoordelen wat er moet gebeuren en hoe ernstig het is. Soms komt na een eenvoudige ingreep een prachtig, eeuwenoud beeld te voorschijn.

En het vrije werk?

Hoewel er naast een volledige baan niet veel tijd overblijft, heb ik gedurende mijn hele loopbaan geregeld vrij werk ernaast gemaakt, zowel in brons, hout, lood als steen. Ik heb een werkplaats aan huis, waar ik graag werk. Mijn werk varieert van driedimensionale objecten tot platen met ingehakte tekst. Met name deze tekstplaten beschouw ik in sommige gevallen als een subsidie in natura.

Naar aanleiding van een foto van zijn werkplaats blijkt dat Gerard niet alleen in natuursteen is geïnteresseerd maar ook in gereedschappen. Aan de muur in de werkplaats blijkt de grootste hamercollectie van Nederland te hangen. Het zijn er ruim negenhonderd. Bovendien heeft hij op twee na alle gereedschappen voor het bewerken van metaal. In dit verband is ook de collectie steenmonsters die tegen de wanden van de werkkamer in Zeist is opgesteld illustratief.

Het verzamelen zit hem in het bloed denk ik, want ook de collectie natuursteen die hem in zijn werkkamer omgeeft is de bijna complete verzameling van natuursteensoorten die in Nederland bij restauraties zijn toegepast. Het is de grootste collectie in Nederland. Alleen enkele soorten marmer die in de jaren dertig van de twintigste eeuw werden toegepast ontbreken. De totale collectie bestaat uit honderden monsters. Het is een collectie met Wahrheit und Dichtung. Aan veel monsters zijn verhalen verbonden, bijvoorbeeld over de vindplaats. Ook zijn fantasienamen aan monsters gegeven als bijvoorbeeld de herkomst onduidelijk was. Zo was het rond 1900 veel gebruikte, uit de Franse Pyreneeën afkomstige marmer, thans bekend als Griotte (niet te verwarren met de Belgische Griotte), lange tijd in de collectie bekend als porfier uit Egypte. Het monster had een stikker met de naam Rosse Atico Egypte, wat het later dus niet bleek te zijn.

Op welke manier wordt u bij een restauratie betrokken?

Dat kan op verschillende manieren gebeuren. Er is een groot verschil tussen grote projecten zoals de St.-Janskathedraal in Den Bosch en een grenspaal die ergens onopvallend lang de weg staat. Bij deze kleine objecten is het nauwelijks mogelijk om zicht te hebben op acties die mogelijk ondernomen worden om een dergelijke paal een opknapbeurt te geven. Dat is op zich wel jammer want daardoor gebeuren er nog wel eens dingen, zoals het schuren van de steen, die het object en het voortbestaan ervan niet ten goede komen. We proberen het verschil duidelijk te maken tussen een ‘oude huid’ en ‘vervuiling’. Sommige steensoorten worden vanzelf donker en dat is iets anders dan gipsafzetting en zegt niets over de mate van vervuiling. Bij een verkeerde behandeling worden lagen weggehaald en daarmee worden belangrijke sporen, bijvoorbeeld van de oppervlakte bewerkingen, definitief uitgewist. Bij grotere projecten streven wij er uiteraard naar om in een vroeg stadium bij een restauratie te worden betrokken. We willen een dialoog op gang brengen met de opdrachtgever, de gemeente en de architect zodat we gezamelijk een lijn kunnen uitzetten voor de restauratie van de natuursteen. De restauratie van de St.-Jan in Den Bosch is daar een goed voorbeeld van.

Inmiddels is Hendrik-Jan Tolboom aangeschoven en vertelt hoe hij in het vak terecht is gekomen.

Mijn vader is steenhouwer en beeldhouwer en werkte op een grote steenhouwerij. Hierdoor ben ik met dit vak opgegroeid en het is voor mij altijd boeiend gebleven. Ik heb eerst kunstgeschiedenis gestudeerd en stage gelopen bij de Rijksdienst. Daarna heb ik de steenhouwersschool in Utrecht gecombineerd met een baan bij een steenhouwerij die in restauratie was gespecialiseerd. Vervolgens werkte ik als zelfstandig beeldhouwer en steenhouwer en ben ik via bureau Schellevis terechtgekomen op het tekenbureau voor de St.-Jan voor de eerste fase (1998-’99) van de derde restauratiecampagne. In 1999 ben ik bij de Rijksdienst komen werken.

En zo komen we te spreken over de St.-Janskathedraal in Den Bosch.

Hendrik-Jan: Ik was met name bij de restauratie van de gerfkamer betrokken. We hebben bij dit project met Autocad gewerkt en hebben alle profielen enz. ingemeten en 1:1 getekend voor de steenhouwers. Deze ontvingen een digitale tekening aan de hand waarvan zij mallen voor het werk maakten. Het is voor het eerst dat bij een dergelijke omvangrijke restauratie alles 1:1 getekend werd. Deze manier van werken loopt goed en het leuke is dat deze werkopzet nog steeds toegepast wordt bij de St.-Jan. Een goed ruimtelijk inzicht is noodzakelijk zowel om deze tekeningen te kunnen maken als om ze goed te kunnen interpreteren.

De opvattingen over de keuze van vervangende natuursteensoorten bij restauraties veranderen in de loop van de tijd. Deze is af te lezen aan de restauraties van de St.- Jan. De keuze voor een bepaalde steensoort hangt af van de mate van weervastheid, van de vraag of de eigenschappen van de steen voor de beoogde toepassing geschikt zijn (is de steen geschikt voor fijn geprofileerd werk bijvoorbeeld) en van de vervoerskosten. De steenkeuze houdt dus verband met de vormgeving. Bij reconstructie en vervanging ligt het gebruik van de oorspronkelijke steensoort voor de hand. Maar dat is niet altijd mogelijk en dan moet een alternatief gevonden worden. De motieven voor de oorspronkelijke toepassing van een bepaalde steensoort zijn bijna nooit opgetekend en zijn dus meestal onbekekend.

De gerfkamer was oorspronkelijk uitgevoerd in witte Brabantse (Gobertange- en Lede-) steen en zandsteen. In 1933-’38 is de gerfkamer gereconstrueerd in tufsteen uit Kottenheim. Deze werd onder meer gekozen omdat dit een minder strak en glad resultaat zou opleveren dan de in de 19de eeuw elders aan de St.-Jan toegepaste verschillende soorten zandsteen en kalksteen. Tufsteen zou een levendiger resultaat met meer artistieke inbreng van de steenhouwer opleveren. De tufsteen blijkt echter weinig weervast te zijn en de detaillering is moeilijk uit te voeren, zodat al na enkele decennia details verloren blijken te zijn gegaan.

De oorspronkelijk toegepaste steen is nauwelijks nog verkrijgbaar. Bij de jongste restauratie van de gerfkamer heeft men, vanwege de kleur, weervastheid en beschikbaarheid, gekozen voor de toepassing van Weidenhahn trachiet. De discussie over de steensoort die gebruikt wordt bij volgende restauraties aan de St.-Jan is hiermee echter niet afgesloten. Inmiddels worden ook andere vervangende steensoorten voor tufsteen toegepast, zoals Gerard vertelt.

Gerard: Dit is een restauratie die nooit af is en altijd doorgaat. Er is een doorlopende dialoog tussen de vele betrokkenen, op basis waarvan keuzes gemaakt kunnen worden. Inmiddels beschouwt men de restauratie als een doorgaand, lange termijnproject met continu doorgaande werkzaamheden die niet over vijf jaar zullen zijn afgerond. Bij vorige restauratiecampagnes waren er zaken blijven liggen, dat wist men. Zo wordt nu de vervanging van de tufsteen uit de jaren dertig van de vorige eeuw aangepakt. Met name de tufstenen beelden en pinakels waren een ramp. Er komt een overleg op gang met bijvoorbeeld de bouwhistorici over een vervangende steensoort, want de oorspronkelijke Gobertangeen Ledesteen worden in te kleine hoeveelheden gedolven. Uiteindelijk, na veel zoeken, bezoeken aan groeven en overleg, besluit men tot een weinig conventionele oplossing en past men de Engelse Portland Stone toe. Deze heeft weliswaar een ander verweringspatroon dan de oorspronkelijk steen maar een goede weervastheid en in vergelijking met de oorspronkelijke steen een goede kleur en bewerkingsmogelijkheden. Nadat de steen in platen van 40 cm. dik in Nederland aankomt worden de platen door twee bedrijven bewerkt. Dit gebeurt op een zeer hoogstaand niveau, deze bedrijven horen echt tot de wereldtop. Het vakmanschap is enorm en er wordt veel kennis ontwikkeld en ervaring opgedaan. Dat is echt geweldig. Voorheen werd bijna 60 % van het steenhouwerswerk dat in Nederland bij restauraties nodig was in het buitenland gemaakt, nu is dat nog maar 6 %.

Gerard en Hendrik-Jan zouden nog uren over hun vak kunnen doorpraten. Hopenlijk kunnen we hen ontmoeten op de excursie naar de St-Jan in Den Bosch, waarvoor een nieuwe datum wordt gepland.

Sabine Broekhoven

Literatuur
H.J. Tolboom, ‘Vervangende steensoorten in de restauratiepraktijk’
In Jaarboek Monumentenzorg, Instandhouding, Zwolle/Zeist 1999,
blz. 177-182

Jaargang 2009
nummer 1, januari 2009
Jaargang 2009, nummer 1
Jaargang 2008
nummer 3, augustus 2008
Jaargang 2008, nummer 3
nummer 2, april 2008
Jaargang 2008, nummer 2
Jaargang 2007
nummer 2, april 2007
Jaargang 2007, nummer 2
nummer 1, januari 2007
Jaargang 2007, nummer 1
Jaargang 2006
nummer 2, december 2006
wederopbouw
Na-oorlogs bouwen in Overijssel
nummer 2, december 2006
restauratie
Restauratie Villa Pera in Baarn
nummer 2, december 2006
actualiteiten
De nieuwe Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten
nummer 2, december 2006
boeken
Goed voorbeeld doet goed volgen
nummer 2, december 2006
mededelingen
Nieuws van bestuur en redactie
Jaargang 2005
nummer 2, april 2005
Jaargang 2005 jubileumnummer 2/3
nummer 1, januari 2005
Jaargang 2005, nummer 1
Jaargang 2004
nummer 4, oktober 2004
wederopbouw
Naoorlogse Bouwkunst — 2
nummer 4, oktober 2004
interview
M. Hendriksen-Ansing, voorzitter van de Stichting 2003 Jaar van de Boerderij
nummer 4, oktober 2004
bouwhistorie
Het bouwhistorisch onderzoek van kelders in Arnhem
nummer 3, juli 2004
restauratie
Kasteel Nederhemert
nummer 3, juli 2004
restauratie
De Heilige Servatius
nummer 2, april 2004
restauratie
Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
nummer 2, april 2004
interview
Linda Boot, projectdirecteur samenvoeging ROB-RDMz
nummer 2, april 2004
restauratie
Gevelsteen “IndeVier Heems Kinderen”, Spaarne 94 te Haarlem
nummer 1, januari 2004
restauratie
De Antichambre: Een vertrek in het stadhuis van Haarlem
nummer 1, januari 2004
interview
Herman van Santen, wethouder Ruimtelijke Ordening van de gemeente Gorinchem
nummer 1, januari 2004
restauratie
Restauratie beeldengroep: “de Vier Jaargetijden”
nummer 1, januari 2004
wederopbouw
Naoorlogse Bouwkunst — 3
Jaargang 2003
nummer 2, april 2003
interview
Gerard Overeem en Hendrik-Jan Tolboom: bevlogen natuursteenkenners
nummer 1, januari 2003
monumenten
Boerderij “Bouwlust” in Bergambacht
nummer 1, januari 2003
restauratie
Perikelen bij orgelrestauraties
20 maart 2013 (afgerond)
Studiedag met TNO in Delft: Resultaatgericht restaureren

Het Bestuur van de Nederlandse Vereniging vanĀ  Monumentenzorgers en TNO Bouw te Delft nodigen leden en relaties uit voor de jaarlijkse gezamenlijk...

[meer info]