NVMz-nieuws
nummer 1, januari 2003
RESTAURATIE

Perikelen bij orgelrestauraties

Het orgel van de Nederlands Hervormde kerk te Sexbierum
Het orgel van de Nederlands Hervormde kerk te Sexbierum

Ruwweg sinds het uitkomen van het Charter van Venetië in 1964 is er in meer of mindere mate consensus over de wijze van restaureren in Nederland. Het adagium van dit manifest is: conserveren is beter dan repareren, repareren beter dan restaureren, restaureren beter dan reconstrueren.

Bij alle categorieën monumenten is deze ‘doctrine’ langzaam gemeengoed geworden. Hoewel uiteraard voor iedere categorie ook wel uitzonderingen bekend zijn. Reconstrueren blijkt een fenomeen, zo wijdverbreid, dat dit alleen al daarom evenveel belangstelling geniet als restauratie op Venetiaanse leest geschoeid. Twee categorieën monumenten hebben zich echter aan deze wetmatigheden weten te onttrekken en dat zijn de molens en de orgels. Molens mogen zich landelijk in een zo toenemende mate van belangstelling verheugen dat hun aantal weer groeiende is. Een aantal stompen is daartoe op de monumentenlijst geplaatst om reconstructie te bevorderen.

Bij orgels ligt dat gecompliceerder. Veel kerken in Nederland hebben in de periode van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw een orgel gekregen. Omdat een orgel regelmatig (klein) onderhoud behoeft, waartoe met name stembeurten gerekend kunnen worden, is in de praktijk de relatie met de orgelbouwer na het gereedkomen van de bouw van het orgel in stand gebleven. Bij overlijden ging de relatie moeiteloos over op diens opvolger. Behalve kleine onderhoudswerkzaamheden zijn die orgels door deze bedrijven door de loop van de eeuwen ook aangepast aan de smaak en mode van de tijd. Soms heel beperkt, een pijp of een stem meer of minder en soms heel ingrijpend en verdween het complete interieur van het orgel op de pijpschroothoop. Het orgel in de Nederlands hervormde kerk te Sexbierum is daarvan een goed voorbeeld.

Door een groeiende belangstelling voor het orgel, door groeiende financiële middelen en door een steeds groter wordende technische kennis van het orgel is sinds de Tweede Wereldoorlog heel langzamerhand de aandacht voor reconstructie van het oorspronkelijke pijpwerk steeds groter geworden. Wil een kerkbestuur haar orgel restaureren dan neemt zij, als het een rijksmonument betreft, contact op met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, die haar opdraagt één van de vijftien erkende orgeladviseurs in de arm te nemen om een restauratieplan te maken en de restauratie te begeleiden. Daarnaast wordt het plan wanneer het bij de Rijksdienst wordt ingediend nogmaals getoetst door de orgeldeskundige van de Rijksdienst zelf. Hiermee is de basis voor een kwalitatief goed niveau bij de restauratie gelegd.

De orgeladviseur begint altijd met een zeer grondige inventarisatie van het pijpwerk. Daarbij worden alle herstellingen, uitbreidingen en restauraties minutieus in beeld gebracht.

Vervolgens breekt de belangrijkste en moeilijkste fase aan. Wat gaan we doen? Alle wijzigingen laten zitten en alleen technisch restaureren of gaan we al het later ingebrachte pijpwerk verwijderen en zo goed mogelijk het oorspronkelijke orgel van de eerste bouwer restaureren? Uiteraard zitten hier nog vele keuzemogelijkheden tussen. Hoe ouder het oorspronkelijke orgel, hoe moeilijker de keuze. Vaak zijn complete stemmen vervangen waardoor reconstructie gedeeltelijk neerkomt op nieuwbouw. Een orgel van Maarschalkerweerd uit 1898 is eenvoudiger te reconstrueren dan een Schnitger- orgel in de Aa-kerk te Groningen. De afweging wordt vaak bepaald door de omvang van het oorspronkelijke nog aanwezige materiaal en de omvang van het budget van de opdrachtgever. Hoe meer oorspronkelijk materiaal, hoe meer men neigt naar een reconstructie. Moeilijker wordt het als (zeer) waardevolle orgelbouwers in de negentiende eeuw een complete stem hebben toegevoegd. Moet je die weggooien voor een reconstructie of toch bewaren?

Opvallend is dat de laatste jaren de discussie hieromtrent meer in de openbaarheid wordt gevoerd. Dat is goed. Daardoor kan het nooit meer worden aangemerkt als de voorkeur van een (toevallige) adviseur. De organisten wier stem wordt gehoord in bladen als De Orgelvriend en Het Orgel roeren hun stem steeds luider. Terecht, zij zijn straks degene die het orgel moeten bespelen. Nadeel is dat met de toegenomen democratische inspraakmogelijkheden steeds meer stemmen opgaan die vaak nogal divergeren. Dit heeft de laatste jaren in orgelland tot een lichte lethargie geleid. De restauratie van het Schnitgerorgel in de Aa-kerk te Groningen is daarvan het duidelijkste voorbeeld. Dit orgel zal vermoedelijk eerder spelen voor de Raad van State dan voor een geïnteresseerd gehoor in de Aa-kerk. Op zich is dat goed. Daar krijgen stem en tegenstem de mogelijkheid om hun zienswijze op de restauratiefilosofie van orgels te beargumenteren. Uiteindelijk kan dat alleen de kwaliteit van de restauratie ten goede komen. Het mag duidelijk zijn: de keuze tussen alles handhaven of reconstrueren naar de oorspronkelijke bouwer, blijft een dubieuze. Voor beide is iets te zeggen. Door reconstructie krijgen wij de mogelijkheid om de kleurklank van het orgel te beluisteren zoals de oorspronkelijke orgelbouwer dat bedoeld heeft (denken wij). Bij handhaving van alle reparaties en restauraties voldoen we meer aan de geest van het Charter van Venetië: alles laten zitten zodat het interieur van het orgel zich laat lezen als een boek, een ‘document humain’.

Sexbierum

Dat deze ontwikkelingen soms tot een bizarre situatie kunnen leiden toont de restauratie van het orgel in de Nederlands hervormde kerk te Sexbierum. Sexbierum is een dorp vlak boven Harlingen aan de kust van de Waddenzee. (Sexbierum komt van sex = zes, bier komt van bere is huis, en um slaat terug op hem is buitendijks land.)

De kerk is bekend vanwege zijn fraaie gebeeldhouwde preekstoel. Hier is toevallig zelfs de maker bekend; Johannes George Hempel, 1768. Friesland kent vele fraai gebeeldhouwde preekstoelen maar deze, samen met die van Kimswerd, behoort tot de allermooiste.

Het orgel is oorspronkelijk gebouwd in 1766-1767 door de bekende orgelbouwer Albert Anthony Hinsz, een leerling van de bekende Arp Schnitger. Hinsz heeft tal van fraaie orgels gebouwd in de Noordelijke provincies zoals bijvoorbeeld die van de Martinikerk te Bolsward. De kas van dit orgel is nog in de kerk aanwezig. Dat is dan ook bijna alles. Het complete pijpwerk is bij de restauratie in 1922-1923 door het Leeuwardense orgelbedrijf Bakker en Timmenga verwijderd.. alleen één register van Hinsz heeft hij laten zitten. Dat de Hinsz-pijpen waardevol waren was hen wel bekend want bij latere orgelrestauratie in de noordelijke provincies is dit materiaal op grote schaal weer toegepast.

Een brochure van de kerkvoogdij klaagt: deze gang van zaken beschouwende, ware het gewenst geweest dat de kerk van Sexbierum minder rijk was geweest, opdat men met een minder geld vergende, klassieke restauratie had kunnen volstaan, waardoor het oorspronkelijke orgel bewaard was gebleven. Een unieke klacht!

Het huidige orgel was na 75 jaar aan een restauratie toe. Eigenlijk, vond de kerkvoogdij, had het nooit naar behoren gefunctioneerd. Al in 1948 had men pogingen in het werk gesteld om iets aan het klankbeeld te doen door herintonatie en het veranderen van een register. In het kerkvoogdij-archief bevindt zich zelfs nog een offerte van Flentrop uit 1966 om in de Hinsz-kast een compleet nieuw orgel te bouwen.

De problemen werden mede veroorzaakt doordat een deel van het orgel buiten de kas, buiten de verwarmde kerkruimte staat. In 1984 zijn besprekingen begonnen met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en met de toen door de kerkvoogdij aangetrokken orgeladviseur Jan Jongepier. Eigenlijk wilde het kerkbestuur liefst het Hinszorgel terug. Het eerste rapport van Jongepier ging dan ook in de richting van een 100 procents reconstructie. Omdat het orgelbedrijf Bakker en Timmenga nog bestaat werd met hen contact opgenomen. Het bleek dat hun administratie beter op orde was dan hun liefde indertijd voor het Hinsz-pijpwerk. Ze wisten nog exact aan te geven in welke orgels het pijpwerk was herplaatst; zes registers in Boornbergum, een register in Waaxens en vier registers in het Groningse Sebaldeburen. Contact met deze gemeenten leidde ertoe dat men een bereidheid tot teruggave meende te bespeuren. Deze euforie leidde tot het reconstructieplan van het achttiende-eeuwse orgel. In dit plan alleen zou de Roerfluit -vier voet- van Van Dam uit 1859 en de tinnen frontpijpen uit 1924 worden gehandhaafd. De Rijksdienst verleende vervolgens haar goedkeuring aan deze reconstructie. Hierop gaf het kerkbestuur in 1999 opdracht aan Bakker en Timmenga om het orgel te reconstrueren. Helaas bleken de kerkvoogdijen toen de vraag tot overname concreet werd niet meer tot medewerking bereid, mede als gevolg van het feit dat bijvoorbeeld het orgel van Boornbergum ondertussen zelf een beschermde status had gekregen en het orgel in Waaxens in restauratie was genomen.

Hierdoor werd de reconstructie langzamerhand een onbegaanbare koers. Er restten nu nog twee mogelijkheden: restauratie van het Bakker & Timmenga-orgel of een complete nieuwbouw (reconstructie zonder historisch materiaal) van het oorspronkelijke Hinsz-orgel. Nieuwbouw van het oorspronkelijke Hinsz-pijpwerk zou niet subsidiabel zijn geweest in het kader van de Monumentenwet. De Rijksdienst verleende wel vergunning voor zo'n reconstructie maar verbond daar geen subsidie aan omdat er geen sprake is van herstel van monumentaal materiaal. Daarmee werd de reconstructie voor het kerkbestuur financieel onhaalbaar.

Het voorstel van de RDMZ was, gelet op de financiële problematiek, om de bestaande toestand te restaureren. De kerk is een rijksmonument en het daarin staande orgel eveneens. Dus is het huidige pijpwerk van Bakker en Timmenga, ouder dan 50 jaar, ook beschermt rijksmonument.

Curieus, dat men wel vergunning verleende voor een complete reconstructie van het Hinsz-orgel, waarvoor het gehele Bakker en Timmenga orgel had moeten wijken. (Om opgeslagen te worden voor toekomstig hergebruik!) Hoewel de kerkvoogdij in dat geval een sloopvergunning aan had moeten vragen zou die vermoedelijk zijn verleend. En toen was daar een patstelling.

Daar kwam nog bij dat de kerk bij de restauratie van 1995 tegen de bonte knaagkever was behandeld met de verwarmingsmethode van Slegten uit Wijhe. In Sexbierum ging er bij deze behandeling iets fout waardoor veel schade ontstond aan het houtwerk van de preekstoel en de orgelkas. Ook hier ontstond een financiële touwtrekkerij die vier jaar zou duren.

Het kerkbestuur heeft na 16 jaar delibereren de patstelling eigenhandig doorbroken met de aanschaf van een digital computer organ van de firma Allan, het bedrijf waar de Sexbierumse organist werkzaam is. De organist verzekert dat een gemiddelde kerkganger het verschil niet hoort. De wekelijkse kerkdienst is er dus prima mee gebaat. De gemeente is vermoedelijk tevreden. Maar zij alleen. Bij iedereen die bij dit proces was betrokken heeft deze oplossing een wrange smaak achtergelaten. Over de schuldvraag schuift men, zoals dat betaamt, elkaar de bal toe. In feite is deze ontwikkeling terug te voeren op het feit dat er in de orgelrestauratiewereld geen eenduidigheid heerst. Als er door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg een strak beleid was gepraktiseerd, gebaseerd op het Charter van Venetië, dan zou er geen vuiltje aan de lucht zijn geweest: conserveren is beter dan repareren,

Jaargang 2009
nummer 1, januari 2009
Jaargang 2009, nummer 1
Jaargang 2008
nummer 3, augustus 2008
Jaargang 2008, nummer 3
nummer 2, april 2008
Jaargang 2008, nummer 2
Jaargang 2007
nummer 2, april 2007
Jaargang 2007, nummer 2
nummer 1, januari 2007
Jaargang 2007, nummer 1
Jaargang 2006
nummer 2, december 2006
wederopbouw
Na-oorlogs bouwen in Overijssel
nummer 2, december 2006
restauratie
Restauratie Villa Pera in Baarn
nummer 2, december 2006
actualiteiten
De nieuwe Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten
nummer 2, december 2006
boeken
Goed voorbeeld doet goed volgen
nummer 2, december 2006
mededelingen
Nieuws van bestuur en redactie
Jaargang 2005
nummer 2, april 2005
Jaargang 2005 jubileumnummer 2/3
nummer 1, januari 2005
Jaargang 2005, nummer 1
Jaargang 2004
nummer 4, oktober 2004
wederopbouw
Naoorlogse Bouwkunst — 2
nummer 4, oktober 2004
interview
M. Hendriksen-Ansing, voorzitter van de Stichting 2003 Jaar van de Boerderij
nummer 4, oktober 2004
bouwhistorie
Het bouwhistorisch onderzoek van kelders in Arnhem
nummer 3, juli 2004
restauratie
Kasteel Nederhemert
nummer 3, juli 2004
restauratie
De Heilige Servatius
nummer 2, april 2004
restauratie
Het voormalig Oostelijk Stoomgemaal van het Hoogheemraadschap van Schieland
nummer 2, april 2004
interview
Linda Boot, projectdirecteur samenvoeging ROB-RDMz
nummer 2, april 2004
restauratie
Gevelsteen “IndeVier Heems Kinderen”, Spaarne 94 te Haarlem
nummer 1, januari 2004
restauratie
De Antichambre: Een vertrek in het stadhuis van Haarlem
nummer 1, januari 2004
interview
Herman van Santen, wethouder Ruimtelijke Ordening van de gemeente Gorinchem
nummer 1, januari 2004
restauratie
Restauratie beeldengroep: “de Vier Jaargetijden”
nummer 1, januari 2004
wederopbouw
Naoorlogse Bouwkunst — 3
Jaargang 2003
nummer 2, april 2003
interview
Gerard Overeem en Hendrik-Jan Tolboom: bevlogen natuursteenkenners
nummer 1, januari 2003
monumenten
Boerderij “Bouwlust” in Bergambacht
nummer 1, januari 2003
restauratie
Perikelen bij orgelrestauraties
17 juni 2010 (afgerond)
Restauratiebezoek Amersfoort (St. Joriskerk en stadsmuur) en rondleiding nieuwbouw RCE

Op donderdagmiddag 17 juniĀ  (let op: gewijzigde datum!!) verzamelen de leden van de NVMz zich in Amersfoort in het nieuwe gebouw van de Rijksdiens...

[meer info]